Dit is HORA 1.0. Bekijk ook de previewversie van HORA 2.0

Digitaal leren en werken

Dit hoofdstuk beschrijft hoe leren en werken digitaal moeten worden ondersteund vanuit verschillende perspectieven. Vervolgens wordt een model voor een digitale leer- en werkomgeving (DLWO) gepresenteerd.

Digitaal leren

Digitaal leren is niet nieuw. Er wordt al jarenlang gebruikt gemaakt van ICT in het onderwijs. Bij het aanbieden van leerstof, het ondersteunen van samenwerken en het afnemen van toetsen worden digitale componenten veelvuldig ingezet. De algemene opvatting is dat steeds meer onderwijs blended zal zijn, wat betekent dat het een mix zal kennen van fysieke en digitale werkvormen. Een interessante ontwikkeling in dit kader is het concept van de “flipped classroom”, waarbij de initiële kennisoverdracht buiten het klaslokaal plaatsvindt – bijvoorbeeld via videocolleges – en er in het klaslokaal vooral ruimte is voor discussie en oefening. Een recente ontwikkeling is de toename in het aanbod van open onderwijs, via Open Educational Resources (OER), OpenCourseWare (OCW) en Massive Open Online Courses (MOOC’s). De eerste twee zijn vooral gericht op het publiek aanbieden van onderwijsmateriaal. Een MOOC is een vorm van onderwijs die hele grote groepen tegelijkertijd mogelijk maakt en een ander business model vraagt.

Vanuit het perspectief van informatievoorziening is vooral interessant om te begrijpen hoe deze onderwijsvormen ondersteund kunnen worden met applicaties. Figuur 1 laat zien wat voor applicaties er typisch worden gebruikt voor de ondersteuning van onderwijs en het leren van studenten. De precieze inrichting verschilt in de praktijk per instelling. De pijlen in de figuur geven (geautomatiseerde) informatiestromen tussen applicaties weer.

Studenten hebben een gepersonaliseerd portaal als algemeen startpunt. Het is een visuele schil om achterliggende systemen heen. In het portaal kunnen zij informatie vinden, alsook samenwerken en communiceren met andere studenten en docenten. Op de website (web content management systeem) is publiek beschikbare informatie te vinden, inclusief eventuele OpenCourseWare en Open Educational Resources die uit niet meer dan statische content bestaan. Er zijn ook allerlei applicaties specifiek gericht op het ondersteunen van het onderwijsproces, met als ingangspunt het learning management systeem (ook wel: ELO). Hier kan alle informatie en functionaliteit worden gevonden die in het primaire onderwijsproces zelf relevant is, en wordt vooral het leren zelf ondersteund. Dat betekent het ontsluiten van leermateriaal dat wordt beheerd in het learning content management systeem en multimediaal leermateriaal (zoals kennisclips) dat wordt beheerd door het videomanagementsysteem. Ook kunnen er online colleges in realtime worden gevolgd, ondersteund door het videostreamingsysteem. Administratieve gegevens worden beheerd in het studentinformatiesysteem en zijn toegankelijk voor studenten, zodat zij bijvoorbeeld hun toetsresultaten kunnen raadplegen. Het digitaal portfoliosysteem beheert vooral werkproducten van studenten. Het plagiaatdetectiesysteem controleert of er sprake is van plagiaat in de werkproducten die studenten hebben opgesteld. Het digitaal toetssysteem ondersteunt het toetsproces en beheert het daarvoor noodzakelijke toetsmateriaal. Het stage en afstudeersysteem ondersteunt stage en afstudeermatching en -begeleiding.

Hoofdstuk3 figuur1.png
Figuur 1 Applicaties voor het ondersteunen van onderwijs

Er is in de figuur bewust gekozen om leerproces en contentbeheer van elkaar te scheiden. Het learning management systeem is gepositioneerd als processysteem en beheert en archiveert zelf geen content (dat doet het learning content management systeem en het videomanagementsysteem). Hierdoor wordt de toekomstige vervanging (aanbestedingscyclus) van een learning management systeem eenvoudiger. Daarnaast is het learning management systeem zelf veelal niet erg geschikt om als archief gebruikt te worden. Verder is er een expliciete scheiding aangebracht tussen generieke applicaties en onderwijsspecifieke applicaties. Veel functionaliteit die relevant is voor de ondersteuning van digitaal leren is aanwezig in generieke applicaties zoals in portalen, samenwerkingssystemen en unified communications systemen. Dit is functionaliteit waar een learning management systeem niet primair voor ontwikkeld is. Het is daarom verstandig om deze applicaties te integreren, zodat een voor de gebruiker consistent geheel ontstaat.

Ervaring leert dat er voor de ondersteuning van het onderwijs geen applicaties bestaan die alle noodzakelijke functionaliteit leveren. Er zal dus moeten worden gezocht naar een combinatie van applicaties. Digitaal toetsen is dermate specifiek dat daar beter een specifiek digitaal toetssysteem voor kan worden gebruikt; de functionaliteit in het learning management systeem schiet al snel te kort. Ook het maken, beheren en streamen van video is niet een kernfunctionaliteit van een learning management systeem en kan daarom beter door specifieke applicaties ondersteund worden. Tenslotte is het learning management systeem ook niet bedoeld als omgeving om alle administratieve gegevens in te ontsluiten; alleen dat deel dat direct in het leerproces relevant is. Dat zijn vooral gegevens over onderwijseenheden (vakken) en hun koppeling aan groepen (lesgroepen, leergroepen) en deelnemers (studenten). Andere gegevens kunnen beter direct uit het studentinformatiesysteem worden gehaald (via het portaal)

De geschetste applicaties worden ingezet voor het traditionele onderwijs, het digitale onderwijs (en blended vormen ervan) en OpenCourseWare. Voor de ondersteuning van MOOC’s wordt op dit moment vooral gebruik gemaakt van specifieke MOOC platforms, die in veel gevallen ook alleen gebruikt kunnen worden na het afsluiten van het contract met een MOOC provider zoals Coursera, edX of Udacity. Deze hebben ook niet of nauwelijks een technisch koppelvlak met de informatievoorziening van de instelling.

Digitale leer- en werkomgeving

Een digitale leer- en werkomgeving (ook wel: digitale studie- en werkomgeving) is “een door een instelling georganiseerd samenstel van digitale diensten ter ondersteuning van activiteiten van studenten, personeel en gasten van een instelling voor hoger onderwijs en onderzoek” [28]. Een DLWO ondersteunt naast het leren dus ook het werken (doceren, onderzoeken, ondersteunen). De gebruiker staat daarbij centraal, heeft behoefte aan informatie en functionaliteit en wil eigenlijk niet weten hoe de informatievoorziening intern georganiseerd is. Dit betekent dat er vooral een laagdrempelige, gepersonaliseerde en geïntegreerde informatievoorziening nodig is. Dit vraagt specifieke functionaliteit voor gebruikersinteractie en integratie op meerdere niveaus. Visuele integratie zorgt ervoor dat de gebruiker niet het gevoel heeft dat hij verschillende applicaties ziet. Integratie op gegevensniveau zorgt ervoor dat applicaties onderling de noodzakelijke gegevens uitwisselen. Omdat veel applicaties niet standaard met elkaar integreren betekent dit vooral ook dat er allerlei integratiediensten noodzakelijk zijn. Daarnaast is het belangrijk dat ook clouddiensten kunnen worden geïntegreerd. Personalisatie zorgt ervoor dat wat gebruikers zien past bij hun rol. Los daarvan is er functionaliteit waarmee gebruikers wat zij zien kunnen aanpassen aan hun persoonlijke voorkeuren. Deze digitale omgeving is beschikbaar op alle apparaten van gebruikers, dus ook op mobiele telefoons, waardoor informatie en functionaliteit altijd beschikbaar is.

Een belangrijk aspect van de DLWO is de mate waarin processen worden ondersteund. Daarbij is een onderscheid te maken tussen het ondersteunen van activiteiten die voor (vrijwel) alle gebruikers relevant zijn zoals samenwerken en communiceren, het ondersteunen van activiteiten die door gebruikers in een specifieke functie/rol worden uitgevoerd (student, docent, onderzoeker, etc.) en de specifieke ondersteuning die nodig is voor bepaalde onderwijs- of onderzoeksdomeinen. Er is in dat kader een hele interessante gelijkenis tussen een learning management systeem en een virtual research environment, welke specifiek gericht is op het ondersteunen van onderzoek. Voor beiden geldt dat zij in de praktijk voor een belangrijk deel generieke functionaliteit bieden, met name op het gebied van samenwerken en communicatie. Ook worden zij nogal eens gepositioneerd als portaal voor respectievelijk studenten en onderzoekers. Je ziet daarom ook dat een aantal instellingen generieke portaalproducten inzetten voor de invulling van deze applicaties. Voor beiden geldt echter ook dat hun meerwaarde erg beperkt is als ze geen ondersteuning bieden voor het primaire onderwijs- of onderzoeksproces. Voor virtual research environments geldt zelfs dat ze in veel gevallen onderzoeksdomeinspecifiek zijn.

De uitdaging ligt dus vooral in het vinden van functionaliteiten voor de ondersteuning van de specifieke processen in onderwijs en onderzoek. Het is lastig om hier tot instellingsbrede invullingen te komen gegeven de grote diversiteit aan onderwijs- en onderzoeksdomeinen, -disciplines en -methoden. Er zijn vooral veel voorbeelden van virtual research environments die gericht zijn op hele specifieke onderzoeksdomeinen. Voor learning management systemen ligt een uitdaging in meer expliciete ondersteuning van het leerproces, tot op een niveau waarop het ook daadwerkelijk de onderwijsvisie en de onderwijsmethode(n) ondersteunt. Er zijn systemen die zijn ingericht op specifieke onderwijsconcepten. Zo is er bijvoorbeeld door een consortium van instellingen (waaronder TU/e) gewerkt aan GRAPPLE [29], dat specifieke ondersteuning biedt voor adaptive technology-enhanced learning. Deze functionaliteit kan geïntegreerd worden in een learning management systeem. Virtual Action Learning (VAL) [30] is een opleidingsconcept waarbij lerenden online samenwerken en elkaar feedback geven op producten. De Virtual Learning Community (VLC) is een LMS die speciaal ontworpen is om met VAL te kunnen werken. Het maakt het bijvoorbeeld mogelijk om op een hele gestructureerde manier feedback te geven aan anderen en ondersteunt de specifieke interacties die in VAL worden voorgesteld.

Een ander belangrijk aspect van de DLWO is de ondersteuning van gegevens, los van het specifieke proces waarin zij gebruikt worden. Door het aanbrengen van een scheiding tussen gegevens en proces kunnen ze los van elkaar worden gewijzigd en hergebruikt. In de digitale leeromgeving was om die reden een scheiding aangebracht tussen het learning management systeem en het learning content management systeem. Deze splitsing gaat ook op in andere domeinen. Zo is het in het onderzoeksdomein relevant om het beheer van de onderzoeksgegevens in een separaat onderzoeksgegevensbeheersysteem te beleggen, dat hier ook specifiek voor ontworpen is. Hierin zijn ook specifieke voorzieningen voor meta-datering aanwezig, wat vanuit het perspectief van beheer van gegevens erg belangrijk is. Ook archivering is een onderwerp dat expliciete aandacht vraagt en dat specifiek dient te worden belegd. Het gaat daarbij in ieder geval om functionaliteit voor het bewaken van bewaar- en vernietigingstermijnen, maar mogelijk ook om digitale duurzaamheid. Deze laatste zorgt ervoor dat gegevens ook na lange tijd nog toegankelijk zijn. In het onderzoeksdomein zijn er specifieke voorzieningen voor het archiveren van onderzoeksgegevens. Dit geldt ook voor de bedrijfsvoering waarin document management systemen met record management functionaliteit gebruikt kunnen worden. In het onderwijsdomein lijken er vooralsnog geen specifieke applicaties voor archivering te zijn, maar is het learning content management systeem de meest logische plaats hiervoor als hier het onderwijsmateriaal ook in wordt beheerd. In het algemeen is het essentieel om ondersteuning te bieden voor de gehele levenscyclus van gegevens.

Figuur 2 is een visuele weergave van de DLWO zoals we die voorstellen. Hierin zijn de gebruikersinteractie, de procesondersteuning, het gegevensbeheer en de integratie zoals besproken in de vorige alinea’s weergegeven.

Hoofdstuk3 figuur2.png
Figuur 2 De digitale leer- en werkomgeving (DLWO)